Sunday, 12 April 2009

Jezus is verrezen

English version > Jesus is risen

Jezus is niet meer onder de doden

“maar op de eerste van de zeven dagen komen zij, nog diep in de morgen, bij het graf, dragende de geurige kruiden die ze hebben bereid. Maar ze vinden de steen weggewenteld van het graf, en als ze er binnengaan vinden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. En het geschiedt, als ze daarmee niet verder weten te gaan zie, daar staan twee mannen bij hen in blinkend gewaad; zij worden zeer bevreesd en neigen hun gezichten ter aarde, maar zij zeggen tot hen: wat zoekt ge de levende bij de doden?– hij is niet hier, nee, hij is opgewekt!– gedenkt hoe hij tot u heeft gesproken toen hij nog in Galilea was, toen hij zei van de mensenzoon dat hij moest worden prijsgegeven in de handen van zondige mensen, gekruisigd worden en ten derden dage opstaan! Zij worden zijn uitspraken indachtig, keren terug van het graf en verkondigen dit alles aan de elf en al de overigen.” (Lu 24:1-9 NB)

Niet te geloven

“Het zijn geweest: Maria Magdalena, Johanna, en Maria van Jakobus. De overige vrouwen die met haar waren hebben tot de apostelen hetzelfde gezegd. Deze verhalen schenen hun zotteklap toe en zij hebben haar niet geloofd. Maar Petrus is opgestaan en naar het graf gesneld; hij heeft zich gebukt en heeft alleen de zwachtels zien liggen; hij is teruggekomen vol verwondering over wat is geschied.” (Lu 24:10-12 NB)

Jezus verschijnt aan de Emmaüs gangers

“En zie, twee van hen zijn op diezelfde dag onderweg geweest naar een dorp op een afstand van zestig stadiën van Jeruzalem, welks naam Emmaüs is,– en hebben zich met elkaar onderhouden over al deze dingen die voorgevallen zijn. En het is geschied, terwijl zij zich onderhielden en van gedachten wisselden, dat Jezus zelf is genaderd en met hen meegelopen is; maar hun ogen zijn zo bevangen geweest dat zij hem niet hebben herkend. Maar dan zegt hij tot hen: wat zijn dit voor gesprekken die ge al wandelend met elkaar voert? Treurig blijven ze staan. Ten antwoord zegt één, wiens naam Kleopas is, tot hem: bent u de enige vreemdeling in Jeruzalem dat u niet weet van de dingen die daar in deze dagen zijn geschied? Hij zegt tot hen: wat voor dingen? Zij zeggen tot hem: die met Jezus de Nazarener, een man die een profeet was, machtig in werk en woord tegenover God en heel de gemeenschap,– hoe onze overpriesters en onze overheden hem hebben prijsgegeven aan terdoodveroordeling en hem gekruisigd hebben; wij hebben de hoop gekoesterd dat hij het was die Israël zou gaan verlossen; maar al met al is het vandaag de derde dag sinds die dingen zijn geschied; echter hebben ook enkele vrouwen uit onze gelederen ons ontsteld die vroeg in de morgen bij het graf geweest zijn; toen ze zijn lichaam daar niet vonden zijn ze komen zeggen dat ze ook een aanblik van engelen hebben gezien, die zeggen dat hij lééft; zomaar enkelen van hen die met ons zijn zijn mee teruggegaan naar het graf, en vonden het zó zoals ook de vrouwen hebben gezegd, maar hemzelf hebben ze niet gezien! Dan zegt hij tot hen: o onverstandigen, te traag van hart om te vertrouwen op alles wat gesproken hebben de profeten!– moest de Christus niet dat alles lijden, en zo binnengaan in zijn heerlijkheid? En beginnend bij Mozes en bij alle profeten, legt hij hun uit wat in alle geschriften over hem gaat.” (Lu 24:13-27 NB)

Geven van het teken Breken van het Brood

“Dan naderen ze het dorp waarheen ze onderweg waren, en hij doet alsof hij verder wil trekken. Zij dringen sterk bij hem aan en zeggen: blijft bij ons, want het is tegen de avond en de dag is al gaan liggen! Dan gaat hij mee naar binnen om bij hen te blijven. En het geschiedt: als hij met hen aanligt neemt hij een brood en spreekt een zegening uit; hij breekt het en geeft het hun aan. Dan gaan hun ogen open en herkennen ze hem; en meteen wordt hij onzichtbaar voor hen. Zij zeggen tot elkaar: was ons hart niet brandend in ons, toen hij onderweg met ons sprak, toen hij voor ons de Schriften opende?” (Lu 24:28-32 NB)
“In datzelfde uur staan ze op en keren terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en hun metgezellen verzameld vinden; die zeggen: de Heer is werkelijk opgewekt en is door Simon gezien! En zij zetten alles uiteen van onderweg, en hoe hij zich aan hen heeft laten kennen in het breken van het brood.” (Lu 24:33-35 NB)

Jezus verschijnt aan de discipelen

“Terwijl zij over dit alles spreken, komt hijzelf in hun midden staan. Maar geschrokken en zeer bevreesd hebben ze gedacht een geest te aanschouwen. Hij zegt tot hen: waarom zijt ge zo verward, en waardoor komen er zulke overwegingen op in uw hart?– ziet aan mijn handen en mijn voeten dat ik het zelf ben; betast me en zie maar, want een geest heeft geen vlees en beenderen, en zoals ge aanschouwt heb ik die wel! Terwijl hij dat zegt toont hij hun de handen en de voeten. Maar als zij van vreugde het nog niet geloven en zich alleen maar verwonderen, zegt hij tot hen: hebt ge hier iets te eten? Zij geven hem een moot gebakken vis. Hij neemt die aan en eet hem voor hun aanschijn op. Dan zegt hij tot hen: dit zijn mijn woorden die ik tot u sprak toen ik nog met u samen was: ‘alles wat over mij geschreven staat in de Wet van Mozes en in de profeten en de psalmen, moet worden vervuld!’ Dán opent hij hun verstand om de Schriften te verstaan. En hij zegt tot hen: zó staat geschreven, dat de Christus moet lijden en ten derden dage opstaan uit de doden, en in zijn naam moet bekering gepredikt worden tot vergeving van zonden, aan alle volkeren, beginnend bij Jeruzalem; gij zijt hiervan getuigen; en zie, ik zend over u uit wat mijn Vader heeft beloofd; gij, zet u neer in de stad totdat ge met kracht van omhoog wordt bekleed!” (Lu 24:36-49 NB)