Wednesday, 14 February 2018

Mishpat in het Hebreeuws en in het Grieks #1 Oud en Nieuw Testament

Het Hebreeuwse mishpat duidt een hele reeks begrippen aan.
De basis is: iets dat vast staat, waar je zeker van kunt zijn. Te beginnen met gewoonten en vaste kenmerken – zo is het altijd, zo wordt het altijd gedaan. Dat kan overgaan in voorschriften, verordeningen en wetten: zo moet het; wat zo gebeurd is recht, wat niet zo gebeurd is onrecht, schuld, zonde. Ook dat wat volgens die normen recht is, en dat ‘recht zijn’ zelf, wordt door mishpat aangeduid. Tenslotte duidt het de handhaving van dat recht aan en alles wat daar mee te maken heeft: de rechtbank die het beoordeelt (soms vertaald met ‘vierschaar’), de rechtszitting waarin dat gebeurt, en het vonnis dat zij velt.

‘Oordeel’ beschrijft daarom ook de eindbeslissing die ooit eens zal worden genomen over het leven dat de mens heeft geleefd, waarin definitief wordt vastgesteld of hij dat heeft gedaan in overeenstemming met Gods normen of niet. Dat is iets waar de mens zich zijn leven lang van bewust zou moeten zijn.

Het woord in het Grieks


Het Hebreeuwse woord voor ‘recht’ is mishpat , dat een betekenis heeft die loopt vanaf een aanduiding van wat gebruikelijk is tot aan een aanduiding van wat wettelijk verplicht is, inclusief alle voorzieningen en rechtshandelingen die een rol spelen bij het handhaven van dat recht.

De Septuaginta, de Griekse vertaling van het OT, vertaalt dit vaak met het woord krisis of crisis, scheiding, dat is afgeleid van het werkwoord krinō , scheiding maken. Ook het NT gebruikt het woord crisis , maar vrijwel uitsluitend met betrekking tot het oordeel dat God aan het eind der tijden velt over het leven en handelen van de mens.

Crisis in het Nieuwe Testament


Het woord 'krisis' komt in het NT bijna 50 maal voor. Meestal vinden we het vertaald als ‘oordeel’, en anders als ‘gerecht’. Dus als de rechtszitting waarin wordt geoordeeld over het leven dat de mens heeft geleefd, of de rechtbank waarvoor hij moet verschijnen. Met andere woorden: de nadruk ligt daar sterk op de verantwoording die de gelovige aan het eind van zijn leven zal moeten afleggen tegenover God zelf of tegenover zijn ‘vertegenwoordiger’, de Messias (Christus) aan wie God “het gehele oordeel heeft gegeven” (Joh. 5:22,27).

Anders dan in het OT, speelt in het NT de handhaving door mensen niet langer de beslissende rol. Want de gelovigen vormen onder het Nieuwe Verbond niet langer een staatkundige eenheid, maar leven als afzonderlijke, verspreide groepjes in een anders georganiseerde maatschappij. Pas aan het eind van hun leven zullen zij verantwoording moeten afleggen over wat zij met dat leven hebben gedaan. En dat brengt het risico mee dat zij zich die verantwoordelijkheid niet langer zo bewust zijn.
“Omdat een slechte daad niet snel bestraft wordt, is een mensenhart maar al te snel tot het kwaad geneigd” (Pred. 8:11).
 Maar de ‘dag van het oordeel’, van de mishpat , de crisis , komt onvermijdelijk ook voor hen. En daar leggen zowel Jezus zelf als zijn apostelen sterke nadruk op.

+