Friday, 18 September 2009

Het volk van God dankt zijn bestaan aan de genade en goedheid van God

Volk en kind van God zijn is geen prestatie maar gratie



Jozua 24:1-13 Nog één keer roept Jozua het hele volk bijeen. Deze keer in Sichem, de eerste plek die Abraham, stamvader van Israël, in het Beloofde Land aandeed en waar hij het eerste altaar voor God bouwde. In zijn afscheidsrede herinnert Jozua het volk aan de grote dingen die God heeft gedaan in het verleden. Zonder zijn roeping en trouw waren zij niet zijn volk en woonden ze nu niet in het Beloofde Land. Hun bestaan danken zij niet aan eigen inzet, het is een geschenk van God.

God heeft Abram geroepen uit de duisternis tot het licht en Hij heeft hun het land en de steden gegeven om niet, zonder hun toedoen. Het volk van God dankt zijn bestaan aan de genade en goedheid van God. Jozua bepaalt het volk van God bij dit geheim van haar bestaan. Dat is ook de basis van Gods volk vandaag.