Saturday, 22 May 2010

Bouwend op de leermeester van God

“wendt u tot mij en laat u bevrijden, alle einden der aarde,– want ík ben God en anders geen;” (Jes 45:22 NB)

“Wie hecht geloof aan wat wij hebben gehoord,– de arm van de ENE, voor wie is die ontbloot?” (Jes 53:1 NB)


 “Zij zegt tot hem: heer, een schepbak hebt u niet en de put is diep,– waar hebt u het dan vandaan, dat levende water?–” (Joh 4:11 NB)

 “Laat uw hart niet geschokt zijn; vertrouwt op God en vertrouwt ook op mij;” (Joh 14:1 NB)

 “Ook ú die doden zijt geweest in uw misdaden en uw zonden waarin ge vroeger gewandeld hebt volgende de maatstaf van deze eeuw en de overste van de zeggenschap in de lucht: de geest die ook werkzaam is in de zonen der ongehoorzaamheid, onder wie ook wíj hebben verkeerd in de verlangens van ons vlees, toen we alles deden wat het vlees en de gedachten wilden: uit genade zijt ge gered! Van nature waren wij evenzeer als de overigen kinderen des toorns, maar God, die rijk is in ontferming, heeft door zijn veelvuldige liefde waarmee hij ons heeft liefgehad ook óns, die in misdaden doden waren, met de Christus mee levend gemaakt en in Christus Jezus mee–opgewekt en met hem een zetel gegeven in de hemelse gewesten, om in de eeuwen die komen de allesovertreffende rijkdom van zijn genade te tonen in goedgunstigheid over ons in Christus Jezus. Ja, vanwege de genade zijt gij mensen die gered zijn door het geloof; en dat niet dankzij uzelf: Gods gave is het; niet dankzij uw werken,– laat niemand zich daarop beroemen! Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen voor goede werken, die God heeft voorbereid opdat wij daarin zullen wandelen. Daarom, weest indachtig dat ééns gíj, de heidenvolkeren, die om hun vlees ‘voorhuid’ werden genoemd door wat zich ‘besnijdenis’ noemde, een ingreep van mensenhanden in het vlees!, dat ge toentertijd zonder Christus zijt geweest, verstoken van het burgerschap van Israël en vreemd aan de verbondsbeloften, zonder hoop en zonder God in de wereld. Maar nu zijt gij die ééns ver weg zijt geweest door Christus Jezus ‘nabij’ geworden, {#Jes 57:19} door het bloed van de Christus. Want hij is onze vrede, die de beide delen één gemaakt heeft en de tussenmuur die scheiding maakte, de vijandschap, heeft weggebroken met inzet van zijn vlees, door de Wet, vol geboden in de vorm van menselijke verordeningen, buiten werking te stellen, om de twee met inzet van zichzelf te herscheppen tot één nieuwe mens zo vrede stichtend, en om die beiden in één lichaam te verzoenen met God, door middel van het kruis, zo de vijandschap dodend met inzet van zichzelf. Bij zijn komst heeft hij u verkondigd: ‘vrede voor wie ver weg zijn en vrede voor wie nabij zijn’, {#Jes 57:19} want door hem hebben wij beiden in één Geest toegang tot de Vader. Dus zijt ge dan geen ‘vreemdelingen en bijwoners’ meer, nee, ge zijt medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is op wie heel dat welsaamgevoegde gebouw uitgroeit tot een heilige tempel, in de Heer, in wie ook gij mee–opgebouwd wordt tot behuizing van God, in de Geest.” (Efe 2:1-22 NB)

 “Maar Christus is gekomen, als hogepriester van de komende goede dingen, en is door de grotere en volmaaktere tent heen, die niet met handen is gemaakt, dat is: niet van deze schepping, en niet door het bloed van bokken en kalveren, maar door zijn eigen bloed eens–en–voorgoed binnengegaan in het Heilige, en heeft daar eeuwige verlossing gevonden. Want als het bloed van bokken en stieren, en de as van een vaars waarmee de ontwijden worden besprenkeld, hen heiligt en leidt tot de reinheid van het vlees, hoeveel te meer zal dan het bloed van de Christus, die door een eeuwige Geest zichzelf als onberispelijk aan God heeft geofferd, ons geweten reinigen van dode werken en leiden naar het vereren van een levende God. En daarom is hij de middelaar van een nieuw verbond: er is een dood geschied tot verlossing van de overtredingen bij het eerste verbond, en nu kunnen de geroepenen het aangekondigde aannemen van het eeuwige erfdeel.” (Heb 9:11-15 NB)

 “als iemand tot mij komt en niet zijn vader, moeder, vrouw, kinderen, broers, zussen, ja, zelfs ook zijn eigen lijf–en–leven haat, kan hij geen leerling van mij wezen!– al wie niet zijn kruis draagt als hij mij achterna komt, kan geen leerling van mij wezen;” (Lu 14:26-27 NB)

 “welnu, zo geldt voor een ieder van u: wie niet afscheid neemt van al wat hij bezit kan onmogelijk mijn leerling wezen!–” (Lu 14:33 NB)

 “Naar de genade van God die mij gegeven was heb ik als een wijs bouwmeester een fundament gelegd, en een ander bouwt daarop voort; maar laat ieder opletten hoe hij daarop bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt, en dat is Jezus Christus. Of men nu op dit fundament voortbouwt met goud, zilver, kostbare gesteenten, hout, hooi of riet,– ieders werk zal aan het licht komen. Want de Dag zal het duidelijk maken, omdat hij zich in vuur openbaart, en wat ieders werk waard is zal het vuur beproeven. Als iemands werk dat hij heeft opgebouwd blijft, zal hij loon mogen aannemen; als iemands werk afbrandt, zal hij daarvoor boeten; zelf zal hij worden gered, maar zó: als door vuur heen.” (1Co 3:10-15 NB)

 “als we in het licht wandelen zoals hij in het licht verkeert, dan is er gemeenschap tussen ons beiden en reinigt het bloed van zijn zoon Jezus ons van alle zonde;” (1Jo 1:7 NB)

 “Wat baat het, broeders–en–zusters van mij, als iemand zegt geloof te hebben maar de werken niet heeft? Dát geloof kan hem niet redden! Als een broeder of zuster niets hebben om aan te trekken en gebrek hebben aan het dagelijkse voedsel, en er zegt iemand, een uit u, tot hen: ‘gaat heen in vrede, kleedt u warm, en eet goed!’– en ge geeft hun niet eens wat zij voor het lichaam behoeven,– wat baat dat? Zo ook het geloof: als het geen werken inhoudt, is het dood, op zichzelf genomen. ‘Nee’, zal iemand zeggen: ‘jíj hebt het geloof en ík heb de werken!’– toon míj jouw geloof zonder werken dan zal ík jou uit mijn werken tonen wat mijn geloof is! Je gelooft dat God één is?– daar doe je goed aan; ook de demonen geloven dat en sídderen!” (Jak 2:14-19 NB)

 “ja, zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.” (Jak 2:26 NB)