Wednesday, 18 February 2009

Wereld waarheen? #5 De Val van Babel

Wereld waarheen


5. DE VAL VAN BABEL

 
Jeruzalem en Juda

HABAKUK kan zijn oren haast niet geloven als de Here hem vertelt wat straks over Jeruzalem en Juda zal komen. Hij weet uiteraard dat meer dan honderd jaar tevoren God de macht van Assur het noordelijke rijk van Israël liet ver­overen en de be­volking naar verre streken wegvoe­ren. Maar dit rijk was een ongeoor­loofde afscheiding die een blijvende verdeeldheid on­der het volk Gods teweeggebracht had, gemotiveerd door twist en heb­zucht. De tien stammen hadden geen heiligdom zoals de tempel van de Here te Jeruzalem, en evenmin een koning uit de door God gekozen lijn van David. Vele vromen waren derhalve in de loop van de daar­opvolgende eeuwen naar het zuiden getrokken. Het feit dat God het afvalli­ge, in afgoderij verzonken, rijk van Israël tot de ondergang had gebracht, was uiterst triest doch wel begrijpelijk.
Maar wie zou ooit hebben gedacht dat hetzelfde met het rijk van Juda zou kunnen gebeuren? Toen het leger van Assur als stijgend water het land van Israël overstroomd had (het beeld van de profeet Jesaja), Juda was binnenge­vallen en naar Jeruzalem ging oprukken, had God het in één nacht uitge­roeid. "Toen ging de engel des HEREN uit en sloeg in het leger van Assur honderdvijfentachtigduizend man. Toen men vroeg in de morgen opstond, zie, zij allen waren lijken" (Jesaja 37:36). Die dramatische ramp werd door ieder­een gezien als bewijs dat geen aardse macht ooit zou slagen in de poging Gods tem­pel en troon te Je­ruzalem omver te werpen.
Maar nu ont­hult de Here aan zijn profeet Haba­kuk dat de on­weerstaanbare opmars van de macht van Assur naar Samaria zijn veroveraar zal vinden in het eveneens niet te stui­ten oprukken van het leger van Babel naar Jeruzalem. "Zijn paarden zijn vlugger dan panters, en sneller dan avondwolven; zijn rossen en zijn ruiters komen aan in galop, zij komen van verre aangevlogen als een arend, die toeschiet om te verslinden. Heel dat volk komt om geweld te bedrijven, het aanstormen van zijn voorhoede is een oostenwind, en het verzamelt gevange­nen als zand. Met koningen drijft het de spot en machthebbers zijn hem een belaching. Het lacht om elke vesting, het werpt er aarde tegenop en neemt haar in. Dan snelt het voort als de wind en trekt verder" (Habakuk 1:8-11).
Met deze openbaring maakt de Here zijn vroegere waarschuwing waar: "Zie, Ik breng onheil over Jeruzalem en Juda, waardoor allen die ervan horen, beide oren zullen tuiten" (2 Koningen 21: 12). Dit is zeker de uitwerking op Habakuk. Met verbijstering en verslagenheid ziet hij hoe Gods volk als hulpeloze vissen zijn die de vissers van Babel met hengels en netten vangen. Hoe kan God, die zo heilig en rechtvaardig is, het kwaad on­der zijn volk zo straffen door een wreed volk dat veel kwader is?

Het bouwen van een wereldrijk

Met Assur was iets nieuws in de geschie­denis begonnen en Babel, het naburige rijk, nam zijn beleid over. Evenals al de kleine koninkrijken in het Nabije Oosten, hadden Israël en Juda door de eeuwen heen de last af en toe van plundertochten en strijdvechten gekend. De plunderaars waren gewoon zoveel moge­lijk mee te slepen, schapen, runderen en ezels, graan en vruchten, en als het maar kon de rest vernielen. Soms legde een veroveraar de verplichting op een vastgelegde schatting jaarlijks te beta­len. Maar de ongelukkige bevolking ging weer aan het werk, soms met een andere koning.
Assur stelde zich niet tevreden met zulke plundertochten en het zich rijk maken met de schatten van andere volken. Het veroverde volk moest voort­aan deel uitmaken van hun steeds gro­ter wordende rijk. Om het risico van plaatselijke weerstand te verkleinen werden volken overgebracht naar een verre streek en andere volken in de plaats daarvan gebracht. Op deze wijze kwa­men de Samaritanen bijvoorbeeld in het land Israël. In zijn spotlied op de koning van Babel verwijt Jesaja: "Is dit de man, die de aarde deed sidderen, die koninkrij­ken deed beven; die de wereld tot een woestijn maakte en haar steden afbrak; die zijn gevangenen niet naar huis liet keren?" (Jesaja 14;16-17).
Assurs militaire ondernemingen werden door Babel voortgezet en Egypte werd spoedig ver­overd. Nebukadnezar verwoestte Jeruzalem, liet de stad als een rokende puinhoop achter en voerde de bevolking weg naar het land Babel. Hij was vooral ingenomen met de uitbreiding van zijn stad. Hoe trots hij was op zijn ijverige bouwactiviteiten blijkt uit zijn eigen woorden, die in het boek Daniël bewaard zijn. Vanaf het dak van zijn paleis zag hij rond op de stad die zijn groei aan hem te danken had en zei: "Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijke woon­stede door de sterkte mijner macht en tot eer mijner majesteit?" (Daniël 4:30).
Nebukadnezar zag rond op een stad verdedigd met een dubbele muur met een omtrek van zestien kilometer, waar­in zes poorten waren gebouwd. De imposante Ishtar poort in een complex van torens, werd versierd met gegla­zuurde bakstenen waarop draken en stieren waren geschilderd. Dwars door het midden van de stad en deze poort lag de Processieweg, met aan weerszij­den vijfendertig heiligdommen voor de vele afgoden. Het paleis waarin de ko­ning woonde was versierd met blauwe bakstenen. Op nieuwjaarsdag liep een optocht waar­bij de uit de tem­pels gehaalde af­godsbeelden door mensen en lastdieren door de stad werden ge dragen onder het gejuich van de aanbiddende stadsbewoners.
Hoe anders zag deze stad er uit in vergelijking met de uitgebrande ruïnes van Jeruzalem! Maar Habakuk zag van tevoren de stad Babel, de grandioze plannen van de koningen van Babel en de ijverige bouwactivitieten, door de ogen van een ziener van de Here.
"Wee hem die de stad met bloed bouwt, en de veste op onrecht grond­vest! Ziet, is het niet van de HERE der heerscharen, dat de volkeren zich ver­moeien voor het vuur en de natiën zich afmatten voor niets? Want de aarde zal vol worden van de kennis van des HE­REN heerlijkheid, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken" (Habakuk 2: 12­-14).
Evenals Nebukadnezar Jeruzalem met de grond gelijk gemaakt had, zo zouden anderen Babel slechten. Jeremia komt op deze profetie van Habakuk terug als hij de vernieling van de stad voorzegt. " Babels brede muur zal tot de grond geslecht worden en zijn hoge poorten zullen met vuur verbrand wor­den; zo vermoeien volkeren zich voor niets en matten natiën zich af voor het vuur" (Jeremia 51:58).
Niet Babel maar een nieuwe stad op het bergland van Juda is bestemd de zetel te zijn van een wereldomvattende heerschappij. De wetten die de we­reld zullen rege­len zullen niet vanuit Babel ver­kondigd worden maar vanuit Jeru­zalem. Daarheen zullen dankbare volken reizen om de Koning te danken, die niet met het bloed van anderen maar met Godgeschonken macht zijn Koninkrijk heeft opgericht.
Met deze profetische woorden van Habakuk doet God voor de vijfde en laatste keer de belofte dat Hij de ganse aarde zal vervullen met zijn heerlijk­heid. Zij geven ons de verzekering dat de schone aarde die God geschapen heeft, met haar bergen en dalen, heuvelen en vlakten, wouden en weiland, rivieren en zeeën, niet voor altoos de woonplaats zal zijn van mensen die haar Schepper niet kennen of gehoorzamen. Zij is be­stemd voor Gods familie van volmaakte en onsterfelijke kinderen, die met hun dankbaarheid hun hemelse Vader zullen verheerlijken met de volheid van de wa­teren in de oceanen. "Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven." -

Met de Bijbel in de hand